gouden tientje

Waarvoor werden de gouden tientjes gebruikt

De gouden tientjes zijn de best bewaarde munten van Nederland. Slechts zelden zult u een versleten exemplaar tegenkomen. Vrijwel alle gouden tientjes verkeren nog praktisch in nieuwstaat, hetgeen u in staat stelt om een prachtige collectie tientjes op te bouwen voor iets meer dan de goudprijs.

Waarom zijn de gouden tientjes zo mooi? Onderstaand achtergrondverhaal maakt een hoop duidelijk.

Aanvankelijk had de nieuwe staat der Nederlanden twee munthuizen, nl. te Utrecht (muntteken mercuriusstaf) en te Brussel (muntteken hoofdletter B).

Na de Belgische afscheiding in 1830 zijn alle koninkrijksmunten in Utrecht geslagen, behoudens enkele aanmuntingen van zilvergeld tijdens de Tweede Wereldoorlog in de Verenigde Staten van Amerika in opdracht van de Nederlandse regering in ballingschap, herkenbaar aan de munttekens D (van Denver), P (van Philadelphia) en S (van San Francisco). In de jaren 1980-'81 zijn circulatiemunten in het Verenigd Koninkrijk (Royal Mint, Llantrisant, Zuid Wales) geslagen wegens een tijdelijk tekort aan productiecapaciteit bij 's Rijks Munt. Deze zijn niet als zodanig herkenbaar omdat zij het mt. mercuriusstaf hebben.

Bankbiljetten, zilverbons en muntbiljetten zijn sinds 1814 tot de invoering van de euro gedrukt bij de firma Johan Enschedé en Zonen, behalve de hulpbiljetten en de bankiersbiljetten die werden gedrukt door de firma J.H. de Bussy te Amsterdam en de muntbiljetten van 100, 50, 25, 10, 2½ en 1 gulden type 1943, die in opdracht van de Nederlandse regering in ballingschap werden gedrukt bij de American Bank Note Company te New York. Na de oorlog zijn nog muntbiljetten en bankbiljetten in Engeland gedrukt bij Thomas de la Rue & Cy Ltd. en Waterlow & Sons.

Het muntstelsel (geldsysteem) van het Koninkrijk werd geregeld met de Muntwet van 28 september 1816 waarin zowel elementen uit de Republiek als uit de Franse Revolutie waren terug te vinden. Ondanks heftige tegenstand van de zuidelijke provinciën, waar sinds tientallen jaren de Franse frank het voornaamste betaalmiddel was, werd gekozen voor de Nederlandse gulden. Ook de denominaties 3, 1 en ½ gulden bleven behouden, terwijl gewicht en gehalte van de nieuwe munten vrijwel overeenkwamen met die van de Republiek.

Op de vz moest de Nederlandse maagd (Minerva) echter plaats maken voor het portret van Willem I naar het ontwerp van A.F. Michaut. Op de kz kwam het nieuwe koninkrijkswapen. In plaats van onbewerkte randen of kabelranden kregen de nieuwe munten het randschrift GOD*ZY*MET*ONS*.

Nieuw was de toepassing van het in de Franse tijd hier geïntroduceerde decimale stelsel; de gulden was voortaan niet meer onderverdeeld in 20 stuivers à 8 duiten, maar in 100 centen. Behalve de decimale indeling kwamen ook uit het Franse stelsel de dubbele standaard, het gebruik van de volkstaal in plaats van het Latijn en het gebruik van zowel munttekens als tekens van muntmeester en graveur. Tevens werd het Franse geld tot 1825 officieel erkend als wettig betaalmiddel (1 frank = ƒ 0,4725).

Naast de grote zilverstukken werden zilveren munten van 25, 10 en 5 centen en koperen munten van 1 en ½ cent geslagen, waarvan kwartje en hele en halve cent nieuwe eenheden waren. Om technische redenen waren de centen van hetzelfde formaat als de oude duiten. Anders dan tijdens de Republiek had het zilveren kleingeld naar verhouding dezelfde zilverinhoud als de gulden: vier kwartjes of tien dubbeltjes bevatten evenveel zilver als de gulden.

Op de vz van het kleingeld stond de gekroonde initiaal van Willem I, vermoedelijk naar het voorbeeld van het Franse kleingeld met de al of niet gekroonde hoofdletter N, de initiaal van Napoleon I Bonaparte.

Voorts werden, zoals onder Lodewijk Napoleon al was gedaan en in Frankrijk gebruikelijk was, voor binnenlands gebruik gouden munten van 10 en (sinds 1825) 5 gulden ingevoerd van hetzelfde type als de grote zilverstukken, zij het dat het portret van de koning andersom was gewend. Er werd een dubbele standaard vastgesteld met een vaste waardeverhouding tussen goud en zilver van 1:15,873.

Voor de (buitenlandse) handel werd in de Muntwet 1816 de mogelijkheid opengelaten zilveren dukaten en enkele en dubbele gouden dukaten te laten slaan die niet de hoedanigheid van wettig betaalmiddel hadden en waarvan de koers vrijelijk kon stijgen of dalen met de edelmetaalprijzen. De oude beeldenaars werden gehandhaafd; slechts het opschrift op de kz was aangepast aan de nieuwe staatsvorm. Nederlandse dukaten vonden al lange tijd voornamelijk hun weg naar Nederlandsch-Indië en Oost-Europa, waar zij als universeel betaalmiddel zo populair waren, dat men in de Russische Munt te Sint Petersburg in 1768 al was begonnen ze officieel na te slaan. Deze naslagen zijn te herkennen aan kleine stempelafwijkingen.

Bekender zijn de in opdracht van de Russische regering in 1831 te Warschau geslagen imitaties met het muntteken adelaar. De aanmuntingen te Sint-Petersburg zijn doorgegaan tot 1869, zij het sinds 1849 met dit jaartal, omdat in Nederland in 1849 de aanmaak tijdelijk was gestaakt.

Nieuw in het Nederlandse betalingssysteem waren de bankbiljetten die sinds 1814 door de in dat jaar opgerichte Nederlandsche Bank, werden uitgegeven. De coupures werden vastgesteld op 1000, 500, 300, 200, 100, 80, 60, 40 en 25 gulden. De biljetten waren nog gedeeltelijk met de pen ingevuld. Vanwege de oranje-rode kleur werden ze in de volksmond roodborstjes genoemd.

De circulatie van bankbiljetten, die door toonder tegen contant geld konden worden ingewisseld, kwam overigens langzaam op gang. In Engeland en Zweden was het gebruik van papiergeld al meer dan een eeuw in zwang en ook in Oostenrijk, Italië en de Verenigde Staten van Amerika speelde het al een aanzienlijke rol in het betalingsverkeer. Door het gemis aan traditie bleven in het Koninkrijk de nieuwe bankbiljetten voorshands nog een klein deel van de circulatie uitmaken. Ook de Société Générale kreeg in 1826 het recht bankbiljetten uit te geven (Algemeene Nederlandsche Maatschappij).

Omdat er aanvankelijk onvoldoende nieuwe munten voorhanden waren om de oude te vervangen, bleven de munten van de Republiek tegen de bestaande koersen gangbaar, terwijl voor de munten van de Oostenrijkse Nederlanden en het prinsbisdom Luik een tarief in Nederlands geld werd vastgesteld.

Dat er te weinig nieuw zilvergeld voorhanden was, had twee oorzaken. Ten eerste was de waardering van de Franse frank te hoog, waardoor Nederlands zilvergeld naar het vlak over de grens gelegen Franse munthuis te Rijssel werd uitgevoerd en omgewerkt tot Frans geld naar de Nederlanden terugkeerde. Ten tweede was er van de zijde van het publiek weinig aanleiding nieuw zilvergeld bij de munthuizen te bestellen, omdat het oude munten slechts met verlies tot nieuwe kon laten hermunten.

Het hermunten van duiten kon met een kleine winst ten gunste van de regering plaatsvinden, waardoor vanaf 1821 de productie van hele en halve centen goed op gang kwam.

In 1822 besloot de regering daarom zelf zilveren en gouden standaardmunten te laten slaan en daarvoor een krediet van 12 miljoen gulden beschikbaar te stellen. De gouden tientjes (tienguldenstuk) bleken vooral in het zuiden aan te slaan waar zij vanaf 1825 o.a. gebruikt werden om met kleine winst zilveren franken in te kopen, die vervolgens naar Frankrijk werden uitgevoerd. Hierdoor ontstond enige compensatie voor de uitvoer en hermunting van Nederlands zilvergeld.

Om de speculatie in muntgeld tegen te gaan werd met de wet van 22 maart 1839 het gewicht van de zilveren guldens verlaagd. Tevens werden de drieguldens vervangen door beter in het decimale stelsel passende munten van 2½ gulden, al gauw rijksdaalder genoemd. Het gevolg was dat de aanmunting van guldens en rijksdaalders toenam en de productie van 10- en 5-guldenstukken vrijwel stil kwam te liggen.

Van de gelegenheid werd gebruik gemaakt om de diameter te verkleinen en de muntdikte te vergroten, waardoor het kantschrift beter geplaatst kon worden en om een nieuw portret van Willem I naar het ontwerp van J.P. Schouberg te plaatsen. Omdat na de abdicatie van Willem I niet direct stempels met de beeltenis van Willem II voorhanden waren, is nog tot in 1842 met de oude stempels en het jaartal 1840 doorgewerkt.

De wet van 1839 opende voorts de mogelijkheid het geld van de Republiek in te trekken en krachtens een reeks van wetten in de jaren 1842- '49 werden de oude muntsoorten buiten omloop gesteld, tegen de nominale waarde ingenomen en door 's Rijks Munt omgewerkt tot guldens en rijksdaalders met het portret van Willem II naar het ontwerp van L. Royer; de stempels werden gegraveerd door D. van der Kellen Jr. Op de stempels van 1841-'42 was het oor te laag geplaatst, wat in 1843 door Van der Kellen is gecorrigeerd.

Door de Belgische afscheiding in 1830 was het probleem van de voornamelijk in de Zuidelijke Nederlanden circulerende Franse franken al opgelost.

Om het proces van intrekking en hermunting ongestoord te kunnen doen plaatsvinden en geen tekorten aan circulatiemiddelen te laten ontstaan, werd in 1845 besloten namens het Ministerie van Financiën muntbiljetten van 500, 100, 20, 10 en 5 gulden uit te geven, waarvan de eerste in januari 1846 in omloop werden gebracht. In 1847 werden ze al weer ingetrokken. Met de muntwet van 26 november 1847 werd de dubbele standaard (bimetallisme) afgeschaft en de zilveren standaard ingevoerd, terwijl het gewicht van de 25-, 10- en 5-centstukken werd verlaagd maar het gehalte werd verhoogd, waardoor de zilverinhoud werd aangepast aan de nieuwe (lichtere) guldens.

De gekroonde W maakte plaats voor het portret van Willem II. In 1849 werden de kwartjes en in 1850 de dubbeltjes en stuivers van Willem I ingetrokken. Centen met de W zijn onder Willem II niet geslagen, halve centen slechts in geringe aantallen.

Door de overgang naar de zilveren standaard hadden de gouden 10- en 5-guldenstukken hun karakter van wettig betaalmiddel verloren. Daarom werden ze ingetrokken. Om echter in de behoefte aan gouden munten voor de internationale han- del te voorzien, werd een nieuw goudstuk, de gouden willem, ook wel negotiepenning genoemd, ingevoerd. Op dit goudstuk met een vrije koers stond geen waardeaanduiding. Wel waren gewicht en gehalte, die hetzelfde waren als van het oude tienguldenstuk, erop aangegeven. In de periode 1848-1853 zijn kleine aantallen dubbele, enkele en halve negotiepenningen geslagen.

De oude gouden tientjes en vijfjes hielden op 23 juni 1850 op wettig betaalmiddel te zijn. Bij de intrekking van het goudgeld maakte de regering opnieuw gebruik van muntbiljetten. Hoewel deze tweede emissie in 1851 alweer tegen zilvergeld kon worden ingewisseld, was ongeveer de helft in 1852 nog in omloop, omdat gegarandeerde biljetten gemakkelijker te hanteren waren dan het zware zilvergeld. In 1852 zijn zelfs nog biljetten van 10 gulden van een nieuw model gemaakt. Het was een bewijs dat het vertrouwen in papiergeld bij het publiek in de afgelopen jaren aanzienlijk was gestegen.

In 1851 was de geldsanering in het Koninkrijk voltooid en trad er een periode van stabiliteit in. Volgens de muntwet van 1847 werden zilveren munten van 2½, 1 en ½ gulden en 25, 10 en 5 cent met het portret van Willem III, gegraveerd door Schouberg, en hele en halve koperen centen met de gekroonde W geslagen.

De gouden dukaat werd vanaf 1872 weer geslagen, voor het merendeel in opdracht van de Javasche Bank en de Nederlandsche Handel-Maatschappij en naar Nederlandsch-Indië uitgevoerd. Naar dubbele dukaten was geen vraag; in 1854 en 1867 werden slechts enkele proefstukken gemaakt.

De vraag van de handel naar de nieuwe negotiepenningen bleef eveneens gering. Ze werden dan ook afgeschaft bij de wet van 6 juni 1875. Door deze wet werd de gouden standaard ingevoerd en een nieuw gouden tientje met een portret van Willem III door J.P.M. Menger. De gouden standaard was noodzakelijk geworden door enerzijds de ontdekking van enorme goudvoorraden in Californië en Australië die tot een grote verschuiving in de waardeverhouding tussen goud en zilver leidde, anderzijds door de invoering naar Engels voorbeeld van de gouden standaard in het nieuwe Duitse Rijk waardoor de vrees ontstond, dat het grote aanbod van ontmunt zilver op de wereldmarkt een dramatische daling van de waarde van de Nederlandse gulden tot gevolg zou hebben. Met het oog daarop was in 1874 de aanmaak van 2½, 1 en ½ guldens al gestaakt.

Het nieuwe goudstuk van 10 gulden waarvan in 1876 de beeldenaar licht werd gewijzigd (ze lieten zich slecht stapelen), was voortaan de hoofdmunt, al het andere geld tekenmunt. Ondanks dat in de eerste jaren aanzienlijke hoeveelheden gouden tientjes zijn geslagen (1875-1877 ca. 68 miljoen), bleef de omloop ervan nogal beperkt, omdat zij voor het merendeel in de bankkluizen verbleven en het publiek zich bediende van bankbiljetten van De Nederlandsche Bank met als dekking haar goudvoorraad. Ook kon het vanaf 1878 weer gebruik maken van muntbiljetten van 10 gulden en vanaf 1884 van 50 gulden met de afbeelding van de Nederlandse Maagd (Minerva).

Met de wet van 28 maart 1877 werden de sinds 1816 geslagen koperstukken vervangen door nieuwe munten van 2½, 1 en ½ cent en werd de vooral in de grensgebieden nog belangrijke circulatie van vreemd kleingeld verboden. De nieuwe munten werden vervaardigd van het slijtvastere brons, de stempels waren gegraveerd door Menger met op de vz het koninkrijkswapen. De keerzijdebeeldenaar was in overeenstemming gebracht met die van het kleine zilvergeld. In de eerstvolgende jaren werden zoveel bronzen munten geslagen dat de oude koperstukken op 1 december 1883 buiten omloop konden worden gesteld.

Om vervalsing tegen te gaan werd in 1860 een geheel nieuwe serie bankbiljetten geïntroduceerd, model reliëfrand genoemd. De coupures 25, 40 en 60 gulden werden ontworpen door J.H. Morriën en zijn uit kostenbesparende overwegingen aan één zijde bedrukt. De coupures van 100, 200, 300 en 1000 gulden, waarvoor een hogere graad van beveiliging was vereist, zijn tweezijdig bedrukt en ontworpen door F.G. Wagner Jr. In de volksmond heette het biljet van 25 gulden vanwege de gele kleur geeltje, het biljet van 40 gulden vanwege de groene kleur bokkenvreter of groentje en het biljet van 1000 gulden vanwege de rode onderdruk rooie rug. Alle biljetten bevatten geen handgeschreven elementen meer. Het was voor het eerst dat kunstenaars bij het ontwerpen van bankbiljetten werden betrokken. De biljetten van 80 en 500 gulden keerden niet terug.

Toen koning Willem III in 1890 kwam te overlijden, was zijn dochter Wilhelmina pas 10 jaar. Daarom nam koningin Emma het regentschap op zich totdat Wilhelmina op 31 augustus 1898 meerderjarig zou zijn. Van het regentschap is op de munten niets te zien; zij zijn geslagen met titel en meisjesportret van de jonge koningin (ook wel het type "hangend haar" genoemd). De stempels werden gemodelleerd door L. Jünger en gegraveerd door W.J. Schammer. Er zijn van dit type geen rijksdaalders en stuivers gemaakt. Omdat de stempels in 1890 niet aanstonds voorhanden waren, zijn in 1891 nog kwartjes en dubbeltjes met de stempels van Willem III en het jaartal 1890 geslagen. Vanaf 1892 is met de nieuwe stempels gemunt. Wel is het borstbeeld van koningin Emma na haar dood uit piëteit geplaatst op de bankbiljetten van 20 gulden 1940 en 10 gulden 1939 naar het ontwerp van CA. Lion Cachet; het laatste biljet is nota bene in 1943 in omloop gebracht.

Ter gelegenheid van het meerderjarig worden en van de inhuldiging van Wilhelmina in 1898 vond men dat er een geheel nieuwe serie munten moest worden uitgegeven, een type dat later ten onrechte "kroningstype" werd genoemd, omdat Nederlandse vorsten niet worden gekroond maar ingehuldigd. Het ontwerp was van P. Pander. De stempels werden in Parijs gegraveerd door P. Tasset, maar pas in 1900-1902 geleverd, waardoor eerst in 1900 guldens en ½ guldens, in 1901 10 guldens en in 1902 2½ guldens konden worden gemunt, echter alle met het jaartal 1898. De stempels voor het kwartje werden in 1900 geleverd door Menger en in 1901 iets gewijzigd door J.C. Wienecke. Met het "kroningstype" is tot in 1910 gewerkt.

In 1901 werd 's Rijks Munt een staatsbedrijf in overeenstemming met de gewijzigde structuur van de muntcirculatie die merendeels uit voor rijksrekening geslagen tekenen pasmunt bestond, waardoor aan het uit de Republiek daterende zelfstandige beheer door de muntmeester een einde kwam. De positie van de muntmeester werd daarmee gewijzigd van directeur van een particuliere onderneming in rijksambtenaar. Het Munt-College werd opgeheven en de taak aan een ambtenaar opgedragen (tot 1909 de controleurgeneraal).

In 1907 werden voor het eerst munten van koper-nikkel (25% Ni) uitgegeven, nl. ronde stuivers naar het ontwerp van Wienecke, ter vervanging van de kleine en onhandige zilveren stuivers van Willem III die in 1908 werden ingetrokken. Men was tot deze oplossing gekomen, omdat er in de muntenreeks eigenlijk geen plaats was voor een bronzen stuiver waarvan de diameter op ca. 28 mm zou uitkomen. De nieuwe ronde stuivers waren bij het publiek niet geliefd, omdat ze door diameter en kleur soms voor kwartjes werden aangezien. In de volksmond werden ze spottend "avondkwartjes" genoemd. De aanmaak werd in 1909 gestaakt en in 1913 werden ze vervangen door vierkante koper-nikkelen stuivers met ronde hoeken. De inwisseling van de ronde stuivers liep op 1 juli 1916 af.

In 1910 werd het "kroningstype" verlaten en werd de koningin afgebeeld als een jonge vrouw, gedrapeerd met een hermelijnen mantel naar het ontwerp van Wienecke. O.a. met deze afbeelding werd in 1912 een geringe hoeveelheid gouden 5-guldenstukken geslagen. In de praktijk bleek de vraag ernaar gering; het was de laatste aanmunting van gouden vijfjes.

In 1913 werd de patinering van het muntmetaal van de 2½ en 1 cent veranderd van lichtbruin naar donkerbruin (patina) omdat ze door het publiek soms werden verwisseld met gouden tientjes en vijfjes.

Als gevolg van de Eerste Wereldoorlog verdwenen de gouden munten volledig uit de circulatie en werd hun plaats definitief ingenomen door bankbiljetten.

In 1914 moest het Ministerie van Financiën zilverbons met de hoedanigheid van wettig betaalmiddel uitgeven ter vervanging van het schaarser wordende zilvergeld. Met het stijgen van de zilverprijs steeg tevens de intrinsieke waarde aan zilver uit boven de tekenwaarde, reden waarom in 1919 het gehalte van de grote zilveren munten werd verlaagd tot 72%. Een bijkomstig voordeel was dat de munten slijtvaster werden. Van de gelegenheid werd gebruik gemaakt om wederom een nieuw portret van de koningin door Wienecke te laten ontwerpen dat van 1921-1945 is gebruikt; het type "hermelijnen mantel" is voor kwartjes en dubbeltjes nog gebruikt tot in 1925.

Om de mobilisatie-inspanningen te financieren zag de regering zich genoodzaakt op 1 augustus 1914 zogenaamde hulpbiljetten en reservebiljetten van vereenvoudigd type uit te geven die zij in 1909 had laten drukken bij de firma J.H. de Bussy te Amsterdam. Ze werden in coupures van 10, 25, 40 en 60 gulden in omloop gegeven. De Bussy drukte ook de bankiersbiljetten van 5-, 10-, 25- en 50-duizend gulden in verband met de schaarste aan bankbiljetten, ontstaan door de crisis aan het begin van de Eerste Wereldoorlog toen het chequeverkeer stagneerde. Deze hebben echter niet gecirculeerd.

Per 1 oktober 1904 werden de muntbiljetten ingetrokken vanwege de hoge risico's voor de Staat en kreeg De Nederlandsche Bank het recht als laagste coupure een biljet van 10 gulden uit te geven. Het biljet werd ontworpen door N. van der Waay en toonde de allegorieën Arbeid en Welvaart. De uitgifte van dit biljet vormde de aanleiding alle biljetten van het model reliëfrand uit 1860 te vervangen; over de vervanging was al sinds ca. 1900 gediscussieerd. Sindsdien zijn regelmatig bankbiljetten van telkens geheel vernieuwde uitvoering uitgegeven om de vervalser voor te blijven.

Na de Eerste Wereldoorlog werden weer gouden tientjes geslagen, maar deze circuleerden niet; ze lagen vooral in de kluizen van De Nederlandsche Bank. Ze konden besteld worden bij een minimum van 300 kg goud; voor dukaten was dat 100 kg. In 1936 werd de gouden standaard afgeschaft; sindsdien zijn alleen nog gouden dukaten voor de handel geslagen.

Tijdens de Duitse bezetting kon 's Rijks Munt nog tot in 1941 munten slaan met de beeltenis van Wilhelmina, maar weldra trof de bezetter maatregelen om het goudgeld van particulieren in te vorderen en om de aanzienlijke in circulatie zijnde hoeveelheid zilveren, koper-nikkelen en bronzen munten in te trekken en voor oorlogsdoeleinden te gebruiken. Eerst werd het goudgeld ingevorderd, vervolgens begon men een voorraad zinken munten van 25, 10, 5, 2½ en 1 cent te slaan, waarna vanaf maart 1942 achtereenvolgens de nikkelen stuivers, de bronzen centen, al het zilvergeld en de bronzen halve stuivers werden ingetrokken. De halve cent is niet officieel ingetrokken. De zinken munten, die tot in 1944 zijn geslagen, droegen aan de volkskunde ontleende motieven.

Vooruitlopend op de Bevrijding liet de Nederlandse regering in ballingschap in 1944 en 1945 in de Verenigde Staten van Amerika zilveren munten van 1 gulden en 25 en 10 cent volgens vooroorlogs type vervaardigen alsmede muntbiljetten met het borstbeeld van Wilhelmina (coupures 1-100 gulden). De munten zijn in kleine aantallen in 1944 in omloop gebracht, de muntbiljetten zijn in grotere aantallen uitgegeven (bevrijdingsgeld).

In 1945 vond een grote geldzuivering plaats, waarbij in de loop van dat jaar alle bankbiljetten aan de circulatie werden onttrokken. Vervolgens kreeg elke Nederlander een bedrag van 10 gulden in muntbiljetten om de noodzakelijke inkopen te kunnen doen (tientje van Lieftinck). Na de geldzuivering werd op 3 oktober 1945 het zgn. Lieftincktientje in omloop gebracht, dat in 1944 was ontworpen door A.Th. van der Vossen. Vervolgens werden coupures van 25 en 100 gulden in circulatie gegeven, die ontworpen waren resp. in 1943 door W. de Jonge en in 1944 door Van der Vossen. Kort daarna volgden de in Engeland gedrukte biljetten van 10, 20 en 1000 gulden.

Ons hedendaagse geld, de euro, is fiat-geld. De overheid verplicht ons van de euro gebruik te maken. We zijn verplicht om het fiat-geld te accepteren. De overheid is namelijk bang dat haar eigen geld de concurrentie tegen goud zal verliezen. De overheden nemen ook besluiten die het gebruik van zilver en goud als spaarmiddel moeilijk maken. Bijvoorbeeld in Nederland de invoering van 21% BTW op zilver en in Frankrijk het verbod om goud, zilver en munten via de post te verzenden. Het besluit tot uitfasering van het 500-euro biljet lijkt al sterk op de geldzuivering door Lieftinck. Wacht dus niet te lang en wissel je 500-euro biljet in voor twee gouden tientjes.

 

BLOG